Wilhelm II, een glansloos einde van pracht en praal

Op maandagochtend 11 november 1918 vertrekt de Duitse keizer Wilhelm II om precies vijf voor halftien van station Eijsden. Die ochtend. om vijf uur precies, tekende Duitsland bij Compiègne de wapenstilstand, die om 11 uur (de elfde van de elfde om elf) in zou gaan. Dat moment verstreek in doodse stilte, daarna brak er een hels kabaal los, vooral buiten het front, want de meeste frontsoldaten konden het einde niet bevatten.

De allerlaatste reis van keizer Wilhelm II ging via Venlo, Nijmegen en Arnhem naar het

Station Maarn, hier kwam de Duitse keizer in 1918 aan.

stationnetje van Maarn (foto). Bij alle tussenliggende halteplaatsen schold het volk op de gevallen monarch. Dat deed de elite niet, want overal waar de trein stopte begroette de burgemeester, samen met de commissaris van de Koningin en de stationschef, de ex-vorst uiterst hartelijk.

Het Nieuws van de Dag stuurde een journalist naar het kleine station van Maarn, waar de trein die maandag om vijf voor half vier in de middag arriveerde. Het verslag verscheen in meerdere landelijke dagbladen.

Aankomst

‘Daar naderde eindelijk, ruim kwart over drie, de trein, langzaam, zeer langzaam, ja droevig plechtig. (…) Die lange trein schoof zo plechtstatig uit de bocht, dichter en dichter bij, alsof ’t een naderende begrafenisstoet was. En toen, al meer en meer nabij komende en ons passeerende, kreeg ik het gevoel alsof er een film afgedraaid werd, als ware het de werkelijkheid, het echte gebeuren niet meer. ’t Was doodstil geworden. (…) Met wezenloze gezichten keken de Duitse militairen, die uit de portieren hingen, naar de mensen op het perron. Geen kik, geen woord. De groote trein van 13 wagons stopte. Het keizerlijke rijtuig hield stil vlak voor de uitgang. Ik kon niet naar binnenkijken, want de stores (lamellen, PvL) achter de portierraampjes waren dicht.

De ex-keizer stond opeens voor ons. Maar al was hij nog in zijn grijze generaalsuniform, hoe anders zag hij eruit als in 1907 (toen hij een bezoek bracht aan Amsterdam, PvL), (…) De ‘opgezegde’ vorst stond daar als een gebroken man. Zijn haren bijna witgrijs, zijn gezicht bleek, zijn gelaatsuitdrukking niet droevig, maar verlegen. Eigenlijk volkomen de gevangene, die zich heeft overgegeven. Enige ogenblikken sprak hij met graaf Van Lynden van Sandenburg, de commissaris der koningin (van de provincie Utrecht) en toen schreed hij naar de uitgang. Langs ons komende hief hij het gebogen hoofd op en trachtte een ietwat opgewekte houding aan te nemen. Hij bracht de hand aan de rood gebiesde generaal pet en toen gingen enkele hoeden van omstanders van het hoofd. Bij het hek klonk opeens een ‘hoera’, dat binnen enkele seconden gevolgd werd door een schril gefluit. De keizer schreed verder, geleund op een wandelstok. Geen spier vertrok zich op zijn gelaat. Hij stapte in de gereedstaande auto van graaf Godard van Aldenburg Bentinck. Staande in de auto bedankte de ex-keizer met een saluut voor de smadelijke begroeting van het publiek en begon toen een levendig gesprek met zijn gastheer graaf Bentinck. Hij zat ineens druk te gesticuleren, ja het leek wel heftig betogend. (…) De keizer reed weg onder een zwak gejuich en verdween in de najaar triestigheid van de Doornse bossen naar Amerongen. Welk een glansloos einde van een bestaan zo vol pracht en praal!’

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.