Teruggekeerde Joden verder in de kou

Dat veel gemeenten nu pas onderzoek instellen naar hun gedrag tegenover Joodse huiseigenaren is een gotspe. Vijfenzeventig jaar na dato willen ze het boetekleed aantrekken, terwijl de belanghebbenden onder de grond liggen. Zeg niet: wij hebben het niet geweten of we zijn laks geweest, want al in de eerste jaren na de oorlog was het bekend dat de uit de vernietigingskampen teruggekeerde Joden ongeziene gasten waren.

Dat schreef de historicus Jacques Presser al in zijn boek Ondergang: de vervolging en

Leeggeroofde Joodse huizen aan de Tugelaweg in Amsterdam.

verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 – uitgegeven in 1965. ‘In de buurlanden, vooral in Frankrijk en België, vertroeteld, met gul onthaal, met muziek, met vlaggen ingehaald – een ‘gloriereis’. In Nederland, het deerlijk gehavende, pas bevrijde, vaak de koude douche en erger: in Eindhoven bij een officiële instantie: ‘Daar hè je ze weer met hun luizen!’ en na beklag bij het Militair Gezag: ‘Niks met jullie te maken. Eruit!’ Ze zijn terug en zoeken hun familie, hun vrienden, hun vroegere woning, hun opgeborgen bezittingen. Alles is weg. In de Jodenhoek van Amsterdam was het eng leeg. Er stonden alleen huizen waaruit alles verdwenen was.

Monument

Van de 110.000 afgevoerde Joden keerden er 5.450 terug. Een monument ter herinnering aan de doorstane gruwel kwam er niet gauw. Ja, wel snel een monument ter ere van Amsterdammers die in WO2 Joden hielpen. Pas in 1962 gingen de deuren open van de voormalige deportatieplaats: de Hollandse schouwburg. In 1993 werd het Auschwitz-monument in het Wertheimpark onthuld. En nu komt er dan eindelijk een Holocaust-monument.

Beetje laat, niet? Ja, je kunt natuurlijk cynisch zeggen: beter laat dan nooit. Maar het zal je maar gebeuren dat je uit een vernietigingskamp terugkeert in de normale wereld en daar zonder succes keihard moet vechten voor je rechten. Tientallen jaren duurde het voor het besef doordrong dat Joden daar gewoon recht op hebben. Te laat. Een ernstig benadeelde bevolkingsgroep stond verder in de kou. In de jaren zestig schreef een teruggekeerde Jood: ‘Het was vooral de strijd die ik moest voeren tegen de instanties. Waar altijd medeleven had moeten zijn, ontmoette ik de droge, moeilijk te benaderen, afstotende, amorphe massa, die men ook wel ambtenarij noemt. Schade-Enquête Commissie, Volksherstel, Beheersinstituut, Belastingen, vult u zelf maar in. Ik kan u zeggen, dat deze jaren voor mij een verschrikking waren, maar zonder avontuur…’

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.